JONA’S ONGEHOORZAAMHEID KOST HEM DRIE DAGEN IN EEN VIS
De profeet Jona is niet van plan om naar Ninevé te gaan. Het levert hem een mooi avontuur op. Hij mag een paar dagen in de maag van een vis zitten. Als je God ongehoorzaam bent en weigert te doen wat Hij zegt, kan dat wel eens vervelende gevolgen hebben. De profeet Jona weet daar alles van. God had tegen Jona gezegd dat hij naar de grote stad Ninevé moest gaan. Het gedrag van de mensen in die stad was verschrikkelijk. Jona moest tegen de mensen in die stad preken dat het oordeel van God over die stad zou komen. Jona zag het helemaal niet zitten om naar die verdorven stad te gaan en besloot te vluchten voor Gods aangezicht. Dit is onmogelijk, omdat God oppermachtig en almachtig is. Hij weet altijd wat wij doen en waar wij zijn. Vluchten is dus zinloos. Er staan verschillende teksten in de Bijbel die aangeven dat Gods ogen de wereld rondgaan. Job 34:21 zegt het op deze manier: Want Gods oog is op de wegen van de mens gericht, geen van zijn stappen blijft voor hem verborgen.
JONA WIL NAAR TARSIS
Toch is dit wat Jona deed. Hij besloot naar een andere stad te gaan, naar Tarsis. Hij reisde naar Jafo en vond daar een schip dat naar Tarsis ging. Hij betaalde het benodigde bedrag, ging aan boord en viel in het ruim van het schip in slaap. Zijn plan om in Tarsis aan te komen was volkomen kansloos. God gaf was het niet eens met de plannen van Jona en verijdelde die. Dat deed Hij door een zware storm op zee te laten opsteken. Hierin zien we dat God autoriteit heeft over de wind en
het water. 
We kunnen dit niet alleen in het verhaal van Jona lezen, maar ook in het Nieuwe Testament, als de discipelen van Jezus in een boot zitten en denken dat ze zullen vergaan: Marcus 4:39 En Hij, wakker geworden, bestrafte de wind en zei tegen de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en er kwam een grote stilte. Voor de zee stil werd tijdens de bekende boottocht van Jona, gebeurde er wel het een en ander. De zeelieden werden heel bang en begonnen tot hun goden te bidden. Jona 1:5 Toen werden de zeelieden bevreesd en zij riepen, ieder tot zijn god. Omdat er niets gebeurde, besloot de kapitein van de boot naar Jona toe te gaan. Hij was verbaasd dat Jona zo diep kon slapen, terwijl het zo hard stormde op het meer. Hij maakte Jona wakker en zei dat hij zijn God aan moest roepen, in de hoop dat de storm dan zou gaan liggen.
JONA MOET VAN BOORD
De zeelieden hadden al lading van het schip in zee gegooid om het lichter te maken. Ze hoopten daarmee het tij te keren, maar het effect was ‘nul’. Dat was ook logisch, want het probleem ‘Jona’ was nog niet opgelost. Jona moest van het schip af. Daar kwamen de zeelieden ook achter. Ze besloten het lot te werpen, om erachter te komen door wie dit onheil hen overkwam. Het werd hen duidelijk dat Jona degene was door wie zij in de problemen waren gekomen. We lezen dit in Jona 1: toen zeiden zij tegen hem: Vertel ons toch door wie dit onheil ons overkomt. Wat is uw werk en waar komt u vandaan? Wat is uw land en van welk volk bent u? Hij zei tegen hen: Ik ben een Hebreeër en ik vrees de HEERE, de God van de hemel, Die de zee en het droge gemaakt heeft. Toen werden de mannen zeer bevreesd, en ze zeiden tegen hem: Hoe hebt u dit kunnen doen? De mannen wisten namelijk dat hij op de vlucht was, weg van het aangezicht van de HEERE, want hij had het hun verteld. Zij zeiden dan tegen hem: Wat moeten wij met u doen, zodat de zee ons met rust laat? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger. Daarop zei hij tegen hen: Pak mij op en werp mij in de zee; dan zal de zee u met rust laten, want ik weet dat deze zware storm u omwille van mij overkomt. De mannen roeiden echter om het schip terug te brengen naar het droge. Maar zij konden het niet, want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen. Toen riepen zij de HEERE aan en zeiden: Och HEERE, laat ons toch niet vergaan om het leven van deze man! Leg geen onschuldig bloed op ons! Want U, HEERE, doet zoals het U behaagd heeft. Daarop pakten zij Jona op en wierpen hem in de zee. En de woedende zee kwam tot bedaren. Toen werden de mannen zeer bevreesd voor de HEERE; zij brachten de HEERE een slachtoffer en legden geloften af. En de HEERE beschikte een grote vis om Jona op te slokken. Jona was drie dagen en drie nachten in het binnenste van de vis.

ZAT HIJ IN EEN WALVIS?
Veel mensen denken dat het om een walvis gaat. Een walvis schijnt echter niet in staat te zijn een compleet mensenlichaam op te slokken. Het is heel goed mogelijk dat het om een vis gaat, die nu uitgestorven is. Jona leefde namelijk ongeveer 800 voor Christus. Het is dus niet zeker om wat voor vis het ging, maar dat hij in een vis zat is wel duidelijk. Het moet een bizarre ervaring zijn geweest voor Jona en ik ben blij dat ik dit nooit heb hoeven meemaken. Het bracht Jona tot een gebed. Ik heb op allerlei plaatsen tot God gebeden, maar bidden terwijl je in een vis zit…het zal je maar gebeuren. Ik ben in ieder geval blij dat ik dit nog nooit heb hoeven meemaken. Ik kan me wel betere plaatsen voorstellen om te bidden dan in een vis.
HET GEBED IN DE VIS
Toen bad Jona tot de HEERE, zijn God, vanuit het binnenste van de vis. Hij zei: Ik riep uit mijn benauwdheid tot de HEERE en Hij antwoordde mij. Uit de schoot van het graf riep ik om hulp, U hoorde mijn stem. Want U wierp mij de diepte in, in het hart van de zeeën, een watervloed omringde mij; al Uw baren en Uw golven sloegen over mij heen. En ík zei: Verstoten ben ik van voor Uw ogen; toch zal ik opnieuw aanschouwen Uw heilige tempel. Water omving mij, bedreigde mijn leven, de watervloed omving mij. Zeewier was om mijn hoofd gebonden. Naar de diepste gronden van de bergen daalde ik af in de aarde; haar grendels sloten zich voor eeuwig achter mij. Maar uit het verderf trok U mijn leven omhoog, HEERE, mijn God! Toen mijn ziel in mij bezweek, dacht ik aan de HEERE; mijn gebed kwam tot U, in Uw heilige tempel. Wie nietige afgoden vereren, verlaten Hem Die hun goedertieren is. Maar ik, met dankzegging zal ik U offers brengen; wat ik beloofd heb, zal ik nakomen. Het heil is van de HEERE! 1Toen sprak de HEERE tot de vis, en hij spuwde Jona uit op het droge.
JONA IN NINEVÉ
Jona wordt natuurlijk niet in Tarsis uitgespuugd door de vis, maar in de buurt van Ninevé waar hij naartoe moest van God. God sprak nogmaals tot hem dat hij naar Ninevé moest gaan en tot de woorden moest preken die God hem gaf. Jona besloot niet nogmaals aan God ongehoorzaam te zijn en deed wat hem gezegd werd. Hij vertrok naar Ninevé. De stad was in die tijd al heel groot. Er woonden meer dan 120.000 mensen. Dat is meer dan de stad waar ik woon. Om de hele stad door te trekken, had men 3 dagreizen nodig. Jona trok 1 dagreis ver de stad in. We lezen dit in Jona hoofdstuk 3: Hij predikte en zei: Nog veertig dagen en Ninevé wordt ondersteboven gekeerd! De mensen van Ninevé geloofden in God. Zij riepen een vasten uit en trokken rouwgewaden aan, van de grootste tot de kleinste onder hen. Toen dat woord de koning van Ninevé bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af, hulde zich in een rouwgewaad en ging in het stof zitten. En in Ninevé werd op bevel van de koning en zijn rijksgroten omgeroepen: Mens en dier, runderen en schapen, mogen niets eten, niet grazen en geen water drinken. Mens en dier moeten in rouwgewaden gehuld zijn en met kracht tot God roepen. Zij moeten zich bekeren, ieder van zijn slechte weg en van het geweld dat aan zijn handen kleeft. Wie weet zal God Zich omkeren, berouw hebben en Zijn brandende toorn laten varen, zodat wij niet omkomen! Toen zag God wat zij deden, dat zij zich bekeerden van hun slechte weg. En God kreeg berouw over het kwade dat Hij gezegd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet.
EEN ZIJSPRONG NAAR SODOM
Ik maak even een zijsprong naar een andere geschiedenis van de mensheid. Dit
gaat over mensen in de plaats Sodom. Mensen waren ook hier betrokken in allerlei zonden die God verboden heeft. In feite waren ze even goddeloos als de mensen in Ninevé. Het verschil is echter dat de mensen in Nineve zich bekeerden van hun zonden. Dat is dus letterlijk het verschil tussen leven en dood!
Hier zien we hoe genadig God kan zijn voor mensen. God is niet een God van toorn, zoals veel mensen geloven, maar een God van liefde. Mensen geven elkaar soms maar 1 kans om iets goed te maken; God geeft ons veel meer kansen. We zien dit bijvoorbeeld in het verhaal van de goddeloze stad Sodom. De naam zegt het al in een woordgrapje: zo dom. Deze stad was net als Ninevé zeer goddeloos en God had besloten de stad te verwoesten. Een man, Adam, genaamd bid voor de stad in Genesis 18: En Abraham kwam dichterbij en zei: Zult U ook de rechtvaardige tegelijk met de goddeloze wegvagen? Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen binnen de stad; wilt U hen ook wegvagen en de plaats niet sparen omwille van de vijftig rechtvaardigen die daarin zijn? Er kan toch geen sprake van zijn dat U zoiets doet, dat U de rechtvaardige samen met de goddeloze doodt? Dan zal het zijn: zo de rechtvaardige, zo de goddeloze. Daar kan bij U toch geen sprake van zijn! Zou de Rechter van de hele aarde geen recht doen? Toen zei de HEERE: Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen binnen de stad vind, dan zal Ik de hele plaats omwille van hen sparen. Abraham antwoordde en zei: Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken, hoewel ik stof en as ben! Misschien zullen er aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult U dan om vijf mensen de hele stad te gronde richten? En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten, als Ik er vijfenveertig vind. Hij sprak opnieuw tot Hem: Misschien zullen er daar veertig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal het niet doen omwille van die veertig. Verder zei hij: Laat de Heere toch niet in toorn ontbranden, omdat ik spreek; misschien zullen er daar dertig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal het niet doen, als Ik er daar dertig vind. Hij zei: Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken; misschien zullen er daar twintig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten omwille van die twintig. Verder zei hij: Laat de Heere toch niet in toorn ontbranden, omdat ik nog eenmaal spreek: Misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten omwille van die tien. Er waren geen tien rechtvaardigen, dus dat zegt wel wat over de goddeloze natuur van die stad.
JONA’S KARAKTER OPENBAART ZICH
Jona was het compleet niet eens met Gods plan de mensen in de stad genadig te zijn. Hij wordt verschrikkelijk boos in Jona 4: Hij bad tot de HEERE en zei: Och HEERE, waren dit mijn woorden niet toen ik nog in mijn eigen land was? Daarom ben ik het voor geweest door naar Tarsis te vluchten! Want ik wist dat U een genadig en barmhartig God bent, geduldig en rijk aan goedertierenheid, Die berouw heeft over het kwaad. Nu dan, HEERE, neem toch mijn leven van mij weg; het is immers voor mij beter te sterven dan te leven. Maar de HEERE zei: Bent u terecht in woede ontstoken? Jona verliet na dit gesprek de stad en ging ergens ten oosten van de stad om te kijken wat er met de stad zou gebeuren. Hij had daar een afdak gemaakt, waar hij onder ging zitten. God doet vervolgens een groot wonder in Jona 4: En de HEERE God beschikte een wonderboom en liet hem boven Jona opschieten, zodat er schaduw zou zijn boven zijn hoofd, om hem te bevrijden van zijn kwelling. Jona was erg blij met de wonderboom. De volgende dag beschikte God bij het aanbreken van de dageraad een worm, die de wonderboom stak, zodat hij verdorde. En het gebeurde, toen de zon opging, dat God een verzengende oostenwind beschikte. En de zon stak op het hoofd van Jona, zodat hij geheel uitgeput raakte. Hij verlangde ernaar te sterven en zei toen: Het is voor mij beter te sterven dan te leven. Maar God zei tegen Jona: Bent u terecht in woede ontstoken over die wonderboom? Hij zei: Terecht ben ik in woede ontstoken, tot de dood toe. Daarop zei de HEERE: Ú ontziet die wonderboom, waarvoor u niet gezwoegd hebt en die u niet hebt laten groeien, die in één nacht ontstond en in één nacht verging. Zou Ík dan die grote stad Ninevé niet ontzien, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn die het verschil tussen hun rechter- en hun linkerhand niet weten, en daarbij veel vee?
HEB GOD LIEF BOVEN ALLES
We zullen er waarschijnlijk nooit achter komen, wat Jona hierop geantwoord heeft. De Bijbel verteld dit niet. Het is echter duidelijk dat God heel veel geduld en genade heeft met mensen. Hier ligt ook een les voor ons. Ook wij hebben vaak moeite om ons aan Gods geboden te houden. Je hoeft de krant er maar op na te slaan. De ellende komt van alle kanten op ons af. Moord en doodslag is aan de orde van de dag. Verkrachtingen komen veelvuldig voor, diefstal, leugen, bedrog… mensen weten wel hoe ze moeten zondigen. Het goede doen is echter voor veel mensen veel moeilijker. Het klopt inderdaad dat er heel veel mensen zijn die wel goed doen, maar toch. Dat is wat je ziet. Je ziet hun goede daden, maar je ziet niet wat de diepere gedachte daarachter is. De mens is geneigd tot hoogmoed. Ik ben een goed mens en de goede dingen die ik doe, komen niet van God. Nee, die komen allemaal uit mijn eigen fantastische hart. God moet mij wel in de hemel toelaten. Ik doe immers allerlei goede dingen voor de medemens. Hoogmoed komt voor de val. God ziet het hart aan. Doen we het uit liefde voor God of omdat we onszelf zo fantastisch vinden. Het eerste gebod luidt als volgt: Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Je kan je naaste wel even lief hebben als jezelf, maar als je God niet lief hebt, heb je toch een probleem als je voor Zijn troon staat. Wordt niet als de mensen in Ninevé en kom tot berouw en bekering. De engelen zullen juichen en de poorten van de hemel zullen voor je opengaan. De redding van je ziel, is het belangrijkste wat je maar kan wensen en het is maar één gebed van je verwijderd. Dus bekeer je van je zonden en neem Jezus Christus aan als je Heer en Verlosser! Elke dag kan je laatste zijn en ga je voorgoed de eeuwigheid in met of zonder God.