WAAROM
DE KERK WEL BIJBELS IS
1. Waarom gaan we naar de kerk?
“Naar de kerk gaan” is niet een door mensen verzonnen verplichting om
aan je religieuze trekken te komen. Het is niets meer en niets minder dan het
gehoorzamen aan wat God van Zijn kinderen verwacht. De kerk is immers Gods
instrument, Gods idee, Gods plan…
Vanzelfsprekend is er een verschil tussen de Oudtestamentische, joodse
vorm van godsdienstoefening – in tempel en synagoge – en de Nieuwtestamentische
“ecclesia” als gemeenschap van samenkomende heiligen. Het is ook volkomen
logisch om als christenen samen te komen in de lijn van de eerste kerk, zoals
dit in het Bijbelboek Handelingen der apostelen en in de Nieuwtestamentische
brieven beschreven wordt.
Er is rond het woord “kerk” natuurlijk nog wel een taaltechnisch
probleem op te lossen. De kerk wordt namelijk vaak gezien als het gebouw waarin
de gemeente samenkomt. De waarde van zo’n – aan de Heer toebehorend – gebouw is
op zichzelf niet zo enorm. Gods Geest is niet afhankelijk van een paar door mensen
gecreëerde muren en een dak. Dat de gemeenschap ergens in een ruimte samenkomt
is puur uit praktische overwegingen. De vorm en de grootte van dit gebouw
bepalen niet in hoeverre sprake is van een kerk.
Veel mensen kijken ervan op als je zegt dat je twee keer per zondag
naar de kerk gaat. Maar als je een kerkdienst ziet als een feest met de Heilige
Geest, waarom zou je dan niet naar de kerk willen? In Psalm 74:2 staat
het zo: “Gedenk uw gemeente, die Gij van ouds hebt verworven, die Gij verlost hebt als de stam van
uw erfdeel, de berg Sion, waarop Gij uw woning hebt gevestigd.”
Inderdaad
is de tempel in Jeruzalem voor de joden de centrale plaats en zijn er daarnaast
– zeker na de ballingschap – de plaatselijke synagogen om God gedurende het
jaar te dienen. Maar een ding staat vast: God wil ook in het Nieuwe testament
dat we onze erediensten niet verzuimen. In Hebreëen
10:25 staat de oproep “Wij
moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn,
maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen.”
Dit geeft ook het belang aan van het als individu deel uitmaken van
één plaatselijke gemeente. Kerkshoppen e.d. passen niet in het Bijbelse begrip
van gemeente-zijn. Natuurlijk zijn er verschillen
tussen de diverse gemeenten en natuurlijk voelen verschillende mensen zich
aangetrokken tot verschillende gemeenten. Er is inderdaad ruimte voor eenheid
in verscheidenheid. Maar een mens kan alleen maar voldoen aan de oproep in Hebreëen 10:25, als hij een “thuishonk” heeft. Hoe maak je anders immers deel uit van een
“gemeenschap”? Hoe kun je anders immers de “eigen bijeenkomst niet verzuimen”?
Een juiste motivatie en een verwachtingsvol hart zijn van groot belang
als je naar de kerk gaat. En onze houding mag dan niet afhankelijk zijn van
onze omstandigheden. Habakuk 3:17-19 zegt het zo: “Al zou de vijgenboom niet bloeien en er geen
opbrengst aan de wijnstokken zijn, de vrucht van de olijfboom teleurstellen; al
zouden de akkers geen spijs opleveren, de schapen uit de kooi verdreven zijn en
er geen runderen in de stallingen zijn, nochtans zal ik juichen in de HERE,
jubelen in de God van mijn heil. De HERE Here
is mijn kracht: Hij maakt mijn voeten als die der hinden, Hij doet mij treden
op mijn hoogten.”
We komen in de kerk om contact te maken met God. Door de week leven we
in een wereld die duister, anti-christelijk is. Op
zondag komen we bijeen om samen God te loven en te prijzen en om in de
aanwezigheid van de almachtige God te treden.
Omdat de dingen van deze wereld je enorm in beslag kunnen nemen of zelfs
overheersen, is dat soms vrij moeilijk. Toch is de lofprijzing een hele goede
opstap voor een goede, aansprekende kerkdienst. Gods aanwezigheid in de dienst
wordt ermee gevestigd. Het is als ingaan van de tempel in de buitenste voorhof.
Gods volk ging in het Oude Testament vol vreugde naar de tempel – de
toenmalige kerk – zoals het bijvoorbeeld in Psalm 5: 12 staat: “Maar verheugen zullen zich allen die bij U
schuilen, altoos zullen zij jubelen, daar Gij hen beschermt, en in U zullen
juichen wie Uw naam liefhebben.” Jubelen en juichen - lofprijzing – hoort
absoluut bij het leven van Gods kinderen. En dat gebeurt temidden
van de gemeente: “Ik zal Uw naam aan mijn
broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lofzingen”
(Psalm 22:23).
In de kerk is de voordienst dan ook van wezenlijk belang. Het is
essentieel hoe jij de voordienst beleeft. Muziek beweegt het hart van de mens.
Als je een goede houding hebt, kan het jou in die bepaalde stemming brengen dat
je je meer openstelt voor Gods aanwezigheid.
Maar het is ook meer dan een persoonlijk traject, dat ieder voor zich
gaat. In de kerk doe je dit met zijn allen. Samen met je broeders en zusters ga
je op zoek naar God. En waar twee of drie in Zijn Naam bijeen zijn, daar is Hij
in hun midden, zo belooft Jezus (Mattheus 18:26). Hoe
krachtig is het dus om samen Gods aanwezigheid te zoeken aan het begin van de
kerkdienst?!
Niet
tot onze eigen eer, natuurlijk, maar tot de eer van God. Hèm
loven en prijzen we immers!
Gebed is communicatie met God. En wat is daarvoor nodig? Eerlijkheid!
Je masker ophouden tijdens het gebed is niet zinvol, want God doorziet het
allemaal. David besefte dat heel goed, getuige ook Psalm 142: 2-4: “Luid roep ik tot de HEER, luid smeek ik de
HEER om hulp, bij Hem stort ik mijn hart uit, bij Hem klaag ik mijn nood. Ik
ben ten einde raad. U kent de weg die ik moet volgen, U weet dat op mijn pad
een strik verborgen ligt.” Alleen bij een eerlijk, oprecht gebed kan de
christen hopen op verandering en bevrijding.
Het gebed heeft een plaats op verschillende punten in de kerkdienst.
Voorafgaand aan de dienst is er de bidstond. Er is – nog voorafgaand
aan de lofprijzing in de dienst dus – ruimte voor iedereen om God te zoeken in
gebed, om zich voor te bereiden op de komende dienst. Deze bidstond kan op
zichzelf diverse vormen hebben. In onze kerk zijn het individuele en het
gezamenlijke aspect met elkaar verweven. En hoe moeten we dat opvatten? We
bidden gezamenlijk in één ruimte, maar ieder bidt zijn eigen persoonlijke
gebed. Er is met andere woorden volop ruimte voor gebed voor je eigen
persoonlijke noden en verlangens, terwijl je wordt opgebouwd door tegelijk
biddende broeders en zusters.
Verder is er de voorbede, aansluitend aan de lofprijzing en
aanbidding. Met gebedsverlangens kan iedereen een rol spelen in de kerkdienst.
Ieder kan immers vragen om voor een bepaalde nood te bidden.
Daarnaast is er met enige regelmaat ook nog een speciaal gebed aan het
eind van de dienst. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het bidden voor de
zieken. Ook hierbij is er ruimte voor alle aanwezigen om deel te nemen aan de
dienst. Dit soort gebeden is overigens geheel op Bijbelse grondslag. Hoe vaak
hebben Jezus en de discipelen / apostelen immers niet gebeden voor genezing van
zieken en gekwelden?
Gebed heeft daarnaast verschillende vormen. Er is het gebed in de
eigen, verstaanbare taal. Maar minstens zo krachtig is het gebed in tongentaal.
Dit is een taal die we als mensen zelf niet verstaan, maar God geeft ons de
woorden in voor ons gebed. Het is zeg maar een hemelse taal, die voor iedere
wedergeboren christen is weggelegd.
We ontvangen het als teken van de doop in de Heilige Geest, zoals de
discipelen dit op de eerste Pinksterdag ontvingen. “Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen
verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van
de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals
hun door de Geest werd ingegeven” (Handelingen 2:3-4).
De hele Bijbel draait om een verbond tussen God en mensen. Bij een
verbondsrelatie zijn er twee partijen die geven. Het is dus logisch dat ook de
mens zijn gaven geeft binnen de kerk: “Van
U komt mijn lof in een grote gemeente, mijn geloften zal ik betalen in de
tegenwoordigheid van wie Hem vrezen.” (Psalm 22:26). De collecte is met
andere woorden veel meer dan zorgen dat de rekeningen van de kerk betaald
worden en dat we af en toe wat leuke activiteiten kunnen organiseren.
God heeft Zijn verbond in het Oude Testament gesloten met Abraham. “Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en
u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw
nageslacht tot een God te zijn” (Genesis 17:7). In het Nieuwe Testament
hernieuwt God dit verbond, zoals bijvoorbeeld in Hebreëen
8:10 verwoord wordt: “Want dit is het
verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het huis Israëls na die dagen,
spreekt de Here: Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen en Ik zal die in hun
harten schrijven en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk
zijn.”
In Genesis 14:18-20 wordt geschreven over de financiële gaven. Er
staat: “En Melchisedek,
de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij nu was
een priester van God, de Allerhoogste. En hij zegende hem en zeide: Gezegend zij Abram door
God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde, en geprezen zij God, de
Allerhoogste, die uw vijanden in uw macht heeft overgeleverd. En hij gaf hem
van alles de tienden.” Abram vond het belangrijk
in een verbondsrelatie met God te staan. Om Hem te eren gaf hij Melchisedek de tienden.
Het achterhouden van de tienden wordt in de Bijbel zelfs het bestelen
van God genoemd. Maar aan de andere kant zal God getrouwheid in het geven van
de tienden juist zegenen. “Breng de
gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in Mijn huis; beproeft
Mij toch daarmede, zegt de HERE der heerscharen, of Ik dan niet voor u de
vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten. Dan
zal Ik, u ten goede, de afvreter dreigen, opdat hij
de vrucht van uw land niet verderve en opdat de
wijnstok op het veld voor u niet zonder vrucht zij, zegt de HERE der
heerscharen” (Maleachi 3:10-11).
De tienden moeten we dus brengen naar de voorraadkamer in Gods huis.
Dat betekent dus dat we in/aan de kerk moeten geven. Het geven aan allerlei
goede doelen – hoe positief dit op zichzelf ook gewaardeerd kan worden – heeft
dus niets te maken met het gehoorzamen aan Gods gebod. Als aanvulling op de
tienden, als vrijgevigheid is het absoluut niet slecht. Maar God wil gewoon op
de eerste plaats komen in ons leven!
Door te geven aan God zeg je in feite: “God, U hebt mij alles gegeven.
Ik zal U nu op mijn beurt eren.”
Nu gaan veel mensen er tegenwoordig van uit dat tienden geven iets uit
de Oudtestamentische tijd is. Echter, God is niet veranderd. Dit principe gold
al voor de Wet – Abraham leefde immers ruim voor de wetgeving aan Mozes – en er
is ook nergens in Gods Woord te vinden dat Hij dit principe heeft opgeheven. In
de Nieuwtestamentische kerk gaf men zelfs “alles”…
Prediking – onderricht in Gods Woord – is van essentieel belang in het
christenleven. We kunnen als mens immers nooit op alle terreinen de wil van God
volledig onderkennen. We hebben richting en leiding nodig.
Een prediker is een verkondiger van de waarheid. Een heraut, die op
overtuigende wijze een bemoedigende boodschap brengt. De boodschap van de
kracht van Jezus Christus om gevangenen vrij te zetten, zieken te genezen en
mensen weer hoop te geven. Paulus schrijft daarover in 1 Korintiërs 1:23-24: “doch wij prediken een gekruisigde Christus,
voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die
geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, (prediken wij) Christus, de kracht Gods
en de wijsheid Gods.”
Een van de krachtigste preken ooit is de Bergrede, een preek van Jezus
Christus Zelf! Hij zet daarmee de toon voor de nieuwe verhoudingen. In de
gemeente die na Zijn opstanding – met Pinksteren – ontstaat is een aanwezigheid
van God die er voorheen nooit was. De Heilige Geest is toen immers uitgestort.
God Zelf is rechtstreeks betrokken in de prediking, zeker als de prediker een
wedergeboren christen is. Daar mogen we van uitgaan. En daarom is discussie
tijdens de dienst, tijdens de prediking, niet gepast. Als God de voorganger
autoriteit geeft om in wijsheid Zijn Woord te verkondigen, wie is dan de
gelovige om de Heilige Geest te belemmeren in Zijn werk door die woorden heen?
Hoe vaak horen we niet van mensen dat ze het idee hadden dat de preek “speciaal
voor hen geschreven was”?! Dat kan alleen als de Heilige Geest de ruimte krijgt
om te bewegen en niet wordt belemmerd door ter plekke te gaan filosoferen over
wat God met een tekst bedoeld zou hebben.
Jezus leerde de mensen – zoals het in Marcus 1:22 staat - “als gezaghebbende, en niet als de
schriftgeleerden”. Dat is dus een heel verschil tussen de leraars van het
Oude en die van het Nieuwe Verbond.
En dat was ook een opvallend aspect in de eerste preek van Petrus, een ongeletterde visser die na zijn eerste preek
3000 mensen tot bekering ziet komen. “Zij
dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden
ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. En zij bleven volharden bij het
onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de
gebeden. En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen
geschiedden door de apostelen. En allen, die tot het geloof gekomen en
bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk” (Handeling 2:41-44).
De kerkdienst wordt afgesloten met
de oproep. En dat is niet zomaar een ritueel. In de loop van de dienst kunnen
harten van mensen geraakt worden. Dat is in elk geval wel de bedoeling. Maar
daar moet het niet bij blijven. Er moet ruimte zijn om op die aanraking – in
welke vorm die ook plaatsvond – te reageren.
Een reactie op de oproep – het uit
je stoel komen naar het altaar om daar tot God te bidden – is een openlijke
belijdenis. Je maakt van harte een beslissing om Gods wil voor je leven te gaan
doen en veranderd te worden door Zijn Geest. Dat kan een beslissing zijn om
voor het eerst God in je leven te vragen – tot bekering te komen – of om anders
te gaan leven op grond van de woorden uit de preek.
De opwekking op de Pinksterdag kwam
niet zomaar. Het was een bewuste keuze van de mensen om te reageren op wat ze
gehoord en gezien hadden. “Toen zij dit
hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen
broeders? En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een
ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw
zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes
ontvangen. Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die
verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe
roepen zal” (Handelingen 2: 37-39).
Toen Adam en Eva in zonde vielen,
verloren ze hun waardigheid en zelfvertrouwen. “Toen zij het geluid van de HERE God hoorden, die in de hof wandelde in
de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de HERE God tussen
het geboomte in de hof” (Genesis 3:8).
Uit schaamte verborgen Adam en Eva
zich voor God. En die schaamte achtervolgt sindsdien de hele mensheid. Maar
door het sterven en de opstanding van Jezus Christus is vergeving van onze
zonden mogelijk. God brengt herstel in mensenlevens. Hij herstelt de
waardigheid en verandert levens. Hij maakt je tot een nieuw mens, als je
reageer op de optoep aan het einde van de dienst. Een oproep tot bekering of
tot levensheiliging. Elke dienst weer is er een nieuwe kans om je noden voor
Gods troon te leggen. Maar dan moet je natuurlijk wel naar die troon toe gaan…!